Als 17 jarige 'snotneus', net van de Mulo 'geschopt', tekende ik bij deze 'baas' in Oktober '57 van de vorige eeuw, om zes jaar dienst te doen als beroepsschepeling der Zeemacht zowel op- onder- als boven- water en waar ook ter wereld.  

Het werden zes onvergetelijke jaren die ik niet graag had willen missen.  Als Hofmeester diende ik na de opleidingen te MOKH ca 18 maanden op de Karel Doorman, 16 maanden op diverse boten bij de Onderzeedienst Rotterdam, oa, afbouw en proefvaarten Zeehond S 809, 18 maanden te Biak Ned.Nw.Guinea en ca 16 maanden OZD den Helder oa. Dolfijn S 808 en verliet de Marine in Oktober 1963.

 

Keuring te Voorschoten

Na, in 1957, op de Mulo te zijn gestrand en ik zonder diploma de school diende te verlaten, heeft mijn vader vermoedelijk nog even gedacht van mij  een bakker te kunnen maken. Doch dit mislukte faliekant!

Ik had beslist andere ambities. Deze weken erg veel af van wat mijn ouders met me voor hadden. Ik wilde naar de Marine, net als Henk, een ‘school- en buurmaatje’ van mij. Dat was in de ogen van mijn vader niet zo’n geweldig goede keus.

Maar na een paar stevige ruzies en woordenwisselingen in de bakkerij, moest ik het G.. hier en G.. daar zelf maar weten om voor galg en rat verder te willen leven, dus…

Misschien wat geforceerd, maar.. toestemming !                                                 

Na aanmelding op het politie bureau te Woerden, waar maandelijks een wervingsofficier van de KM zitting hield, werd ik ca een week later opgeroepen voor een ‘voorkeuring’ te Utrecht. Dat was min of meer om te kijken of ik wel 2 armen met handen, benen met voeten en een hoofd had. Dat bleek in orde te zijn en kreeg ik, ca 10 dagen later, weer een oproep om in Voorschoten te verschijnen in een Medisch Centrum van de KM, waar je voor meerdere dagen verbleef en diverse medische- en psychische- keuringen en testen onderging. Van de ongeveer 30 personen tellende groep waarmee je deze procedure aanging, vielen er iedere dag wel enkelen af.

Aan het einde van deze keuringsprocedure, was er misschien de helft van over, ik zat er gelukkig nog steeds bij en kon ik een dienstvak keuze gaan maken.

Door gemis van een Mulo diploma, en ik ook al brildragend was, waren de mogelijkheden nou niet zo heel erg ‘uitbundig’ een technisch vak van betekenis, was uitgesloten, evenals vakken in de verbindingsdiensten als seiner, codeur en telegrafist was niet mogelijk. Het moest eigenlijk wel iets in de logistieke of verzorgende sfeer worden oa. Ziekenverpleger, Schrijver, Magazijnbeheerder, Kok en ook Hofmeester stond er in het rijtje.Het woord Hofmeester sprak me wel aan! De KM brochure had me al uitgelegd waaruit de werkzaamheden dan zouden bestaan. Ook deze leken me wel wat, het leek me van de mogelijkheden in ieder geval het meest acceptabele.

De hofmeester, vrij vertaald, Messbediende, heeft aan boord een duidelijk verzorgende taak. Hij is oa. de schakel tussen het Kombuis en de maaltijdgebruikers, zoals het opdienen en uitserveren, met alle toeters en bellen, van de maaltijden alsmede het schoon- en in orde houden van de verblijven, zoals de hutten of andere slaapplaatsen enz. van de Officieren en Onderofficieren, tot bedden opmaken toe ( zeg maar ‘kamerjochies’ ) OK, de keuze werd gemaakt en de handtekening gezet. Ik had een werkgever en ging geld verdienen !!!  Wel 102,- gulden per maand voor in feite 7 x 24 uur per week. 

 

Op naar MOKH

Op de naaizolder

Vrijdag 1 November 1957, Ik ben goed gekeurd om dienst te kunnen doen bij de KM, heb zojuist een dienstvak gekozen en heb mijn handtekening gezet onder een 6 jarig contract. Onmiddellijk krijg ik mijn eerste ‘order’ Ik moet me gaan melden op bureau administratie voor het verkrijgen van de nodige vrij-vervoersbewijzen. Kan vervolgens afreizen naar huis om Maandag as. per eerste gelegenheid, me wederom te melden op deze Kazerne.

Ik vertrok opgetogen met het trammetje naar Leiden om per trein de reis voort te zetten richting Woerden-Kamerik.

De ‘blijdschap’ in huize Burggraaf was maar matig. Natuurlijk vond een ieder het wel fijn dat ik was goed gekeurd, maar de gang naar dat grote onbekende bevredigde nog niet allen, zeker mijn ouders niet. Mijn zussen vonden het nog wel een soort ‘spannend’ ! 

Zo reisde ik dus ’s Maandags weer naar Voorschoten om van daaruit met een flinke groep van ongeveer 25 man ‘nieuwbakken zeelui’ af te reizen naar het Marine Opleidings Kamp te Hilversum, gelegen aan de Noodweg naast het vliegveldje in Hollandsche Rading bij Loosdrecht.

Een redelijk gecompliceerd reisje met diverse overstappen, volgden om op het kleine pittoreske stationnetje van Hollandsche Rading het eindpunt van het openbare vervoer te vinden.

Een legertruck stond er voor ons klaar, die ons de laatste paar kilometer naar het kamp vervoerde.

Na aankomst konden we gelijk gebruik gaan maken van de al jarenlange traditionele Maandaghap van de KM.  “ Snert en Nasi ”.

Ter land, ter zee of in de lucht, op- onder- of boven water en waar ook ter wereld ! Zelfs bij een temperatuur van 40 C graden of hoger, werd hier niet van afgeweken.

De snert smaakte me prima, doch de nasi beviel me wat minder. Ik had nog nooit eerder rijst, op deze wijze bereid, tot me genomen. Anders dan in melk gekookt met een klontje boter, bruine basterd en wat kaneel had ik nog nooit rijst gegeten. Ik weet niet of ik dat nu nog wel lust ?!?        De nasi wist ik snel te waarderen  Wat dat betreft ben ik aardig ‘Aziaat ‘ geworden

Na de ‘middaghap’ was de kapper aan de beurt, de 2 dienstdoende barbiers hadden maar een flink half uur nodig om ons ieder de eenheids- coup ‘kort Amerikaans’ mee te geven.

Vervolgens werd er afgemarcheerd naar de mandie kamer ( badhuis) om gezamenlijk in ons 'blote niksie' een ruime kamer met ‘sprenkelinstallatie’ in gestuurd te worden, waar we ons, nodig of niet nodig, grondig dienden te reinigen. Een kwartiermeester, die ons begeleidde, hield hier scherp toezicht op en paste een, vermoedelijk voor hem ook voorgeschreven, controle toe, waarbij de “huwelijks gereedschappen” ruim de aandacht kregen. Niet iedere ‘verse zeeman’ kon hier goed mee overweg! Eigenlijk was het ook een redelijk genante vertoning natuurlijk, maar ja daar moest je ook maar aan wennen.

Er waren toen, spijtig genoeg, nog geen gemengde bemanningen. De Marva bestond al wel, maar werden strikt gescheiden gehouden. Je vond ze nergens op de schepen en huisden in aparte inrichtingen of wachtschepen. Hr.Ms. de Schorpioen in den Helder was o.a. zo’n schip, die zwaar verankerd in Den Helder lag.

We liepen nog steeds in ons ‘burger kloffie’, maar daar zou nu snel een einde aan komen.We kwamen in het kleding magazijn terecht, waar we onze standaard uitrusting verstrekt kregen, beginnende bij het ondergoed, 3 stuks witte singlets, 3 stuks pendek ( korte onderbroek ) waarvan we er gelijk een van diende aan te trekken. De burgerkleding ging de tas in. Over het ondergoed ging de overall, de toenmalige werkkleding, ( later werd dit een blauwe broek met blauw overhemd) een muts zonder lint op je kop! Zo dit was het tenue voor de komende week, waarbij je duidelijk te herkennen was als ‘super baroe’ en je je eigenlijk nergens anders mocht ophouden dan bij- en met elkaar op de ‘naaizolder’ waar je sliep, huisde en je je kleding en overige uitrusting al naaiend van je marine nummer moest voorzien. Of je was gezamenlijk onderweg naar of van de eetzaal. Zelfs de kantine was nog verboden terrein

Zo, de ‘naaiweek’ zit er op, de gehele uitrusting, van dekens, alle kledingstukken, pompoesje ( gymschoenen ) zakmes tot borstlapje toe was voorzien van je unieke Marinenummer en was zodoende zonder enige twijfel jouw eigendom. De linten met de Gotische letters ‘KONINKLIJKEMARINE’ mochten op de muts gevlochten worden en de overalls werden vervangen door “daags blauw” serge hemd en broek, zwarte zijden doek met knoop en borstlap. Ooh wat waren we trots! We droegen een uniform !

De opleiding kon beginnen ! We hadden onze baksmeester en passant toegewezen gekregen, in ons geval was dat destijds Kwartiermeester Osther, een rijzige Surinamer met een goed gevoel voor rechtvaardigheid. Hij zou voor ons de komende 3 maanden onze “Peetvader” zijn, leidde ons de Eerste Militaire Vorming door, gaf lessen in rangen en standen, leerde ons groeten en voor wie en wie niet, de Krijgstucht en ‘ontucht’ inwendige dienst, roeien en noem maar op, exercitie gaf hij niet, hiervoor kwamen de “ijzeren mannen” van het Korps Mariniers in actie. Zij leerden ons lopen en met wapens om te gaan, zoals militairen dat behoren te doen.

Kortom er werd stevig geprobeerd ‘kerels’ van ons te maken. Niet altijd even gezellig natuurlijk. Ook het jaargetij, November, December, hielp niet altijd mee! Ik heb het ondanks een dag of tien ziekenboeg, na de ‘pokkenprik’  overleefd en ben er zonder overige kleerscheuren met goed gevolg doorheen gekomen.

Vakopleiding

De Boomhoek te Loosdrecht

Na “De Volharding” een soort eindtoets van de EMV, waarbij we een etmaal lang werden bezig gehouden met exercitie, marsen, roeien en overige militaire “grappen”, zonder noemenswaardige rustpauzes en zeker geen slaap, vonden er weer selecties plaats en volgden er overplaatsingen.

De vakopleidingen gingen volgen. De ‘techneuten’ als toekomstige machinisten, elektromonteurs, torpedomakers en dies meer, gingen naar TOKM in Amsterdam, zo ook de ‘verbindelaars’, als seiners, telegrafisten en codeurs naar de VBS. Matrozen vertrokken naar de vloot, die kregen hun opleiding op varende schepen. De hofmeesters bleven in Hilversum om daar hun vaardigheden op te doen. Uit meerdere bakken werd een groep van zo’n man of dertig samengesteld en vormde zo een nieuwe ‘bak’ leerling hofmeesters. Ook kregen we een nieuwe baks-meester. Een korporaal Hofmeester wiens naam ik kwijt ben, maar niet zijn arrogante tronie, het ‘smoelwerk’ van deze zeer met zichzelf ingenomen ‘bullebak’ zal ik nooit vergeten. Nee.., deze tactloze, boven ieder verheven kl…zak, was op geen enkele wijze te vergelijken met zijn sympathieke goedaardige voorganger, de Surinaamse Kwartiermeester Osther, die als het nodig was, de kolen voor je uit het vuur haalde. Deze ‘dienstklopper’ gooide je op het vuur als het hem zo uit kwam.

Hij zou er bijna nog in zijn geslaagd, dat ik met nog vijf mede baksgenoten, vroegtijdig de dienst zou zijn uitgestuurd wegens muiterij.

Hij zette ons op rapport voor dienst weigeren, omdat we niet op een piket dienst waren verschenen, die hij zelf niet juist, of op tijd aan ons had laten weten. Om onder zijn fout uit te komen, gooide hij het er op, dat we met zijn zessen zouden hebben afgesproken de zgn. opgedragen werkzaamheden niet uit te voeren, terwijl we allen van geen kwaad bewust waren. Het werd een heel tumult. We werden onmiddellijk van elkaar gescheiden en ieder werd terdege verhoord. Gelukkig kon een samenzwering niet bewezen worden, maar we werden wel voor straf voor een week in een ‘maatregel klas’ gezet, wat inhield dat we niet in de kantine mochten en een weeklang werden bezig gehouden, door twee Mariniers die ons behoorlijk afknepen met exercities, marsen, roeien, hindernisbanen en noem maar op, ja zelfs ’s nachts.

Ook dit hebben we overleefd.

Maar goed we moesten het met hem doen.

Hij diende ons de theorie van het vak bij te brengen. Welk servieswerk er allemaal voor handen was bij ‘de baas’ en hoe dit te gebruiken ook hoe het bestek en glaswerk ingedekt diende te worden. Het nodige over hygiëne enz.

Het meeste leerde we echter tijdens de stages die we liepen in de manschappen eetzaal of in de Officiers en Onderofficiers-mess, waar we met grote regelmaat te werk werden gesteld. Daar werd ons ook bijgebracht wat van ons werd verwacht bij het verzorgen van de hutten en andere onderkomens van onze ‘superieuren’

Kortom, we leerden oberkelner, serveerder, barkeeper, kamerjochie, poetser, toiletreiniger en ook nog hulpje van de chef-kok te zijn. En zo nodig allemaal tegelijk. Dat hing natuurlijk af op welk schip je terecht zou komen.

Ik leerde er ook dat je de juiste temperatuur van het frituurvet bij het bitterbalen bakken, te weten kon komen door erin te spugen, pruttelde het vet goed dan konden de ballen erin!!

Na deze opleiding volgde er nog een week Marine Kazerne Amsterdam om ons te leren hoe branden geblust moesten worden, gaten in scheepwanden te dichten, met gifgassen om te gaan en al die narigheid meer, voor ze ons de zee op stuurden.

Haal op ! Gelijk !

Doorman

In het voorjaar van 1958 ben ik, zo van de EMV en vakopleiding, vanuit Hilversum met bijna de gehele bak geplaatst op Vliegkampschip Hr.ms Karel Doorman.

De Doorman lag nog op de werf van Wilton Feijenoord te Schiedam, na een verbouwing van ca 3 jaar en moest nog geheel worden ingericht.

Zo waren er bv. nog geen bedden aan boord, ook het kombuis werkte nog niet.

De Heemskerck lag ernaast waar we op aten enz. We sliepen een paar weken in de van Ghent Kazerne aan het Toepad te Rotterdam.

In Mei, na de officiële in dienststelling en alles aan boord functioneerde, werd het schip verhaald naar de boeien bij de Boompjes in de Maas te Rotterdam. Dit werd toen de vaste ligplaats en thuishaven van het grootste schip watde KM op dat moment in dienst had.

De eerste vaarten waren hoofdzakelijk proefvaarten Zo waren we enkele malen in Porthmouth voor zgn. ‘dead load trials’ waarbij de katapult werd uitgetest.

Het was toen overigens voor mij ook de eerste keer dat ik buiten Nederland voet aan de grond zette en mijn ‘school-engels’ in praktijk bracht, het leek nergens op !!

Wat later werden we operationeel en kregen we de squadrons van de Marine Luchtvaart Dienst aan boord, waardoor de bemanning groeide naar ca. 1500 personen. We oefende veel op de Noordzee, veelal voor de Schotse kust. Bezochten oa. Inverness, Invergarden aan de Loch Ness, waren ook in Edenburg ec.

In het voorjaar van 1959 maakten we een reis naar de Verenigde Staten met smaldeel 5. Deden hierbij de Bermuda eilanden aan, lagen enkele dagen in de Caracas baai te Curaçao, op de rede bij Aruba en waren in Mayport bij Jacksonville te Florida en haalden daar een aantal S2F Gruhmann Trackers op. Waren enkele dagen in Fort Lauderdale bij Miami, deden op Cuba de Amerikaanse Navy basis Guantanamo base aan om vervolgens een dag of tien in de Anna baai te Willemstad op Curaçao afgemeerd te liggen.

Deze reis met smaldeel 5 maakte ik mee als Hofmeester 2e klas bij de Ooff. Veel leuke herinneringen.

Van deze periode herinner ik me ook nog wel enkele anekdotes waar ik tzt. Melding van zal doen, maar laat het nu hier even bij.

Onderzeedienst

Het was in het voorjaar, April/ Mei van 1959, tijdens de thuisreis van Smaldeel 5 vanuit de Caraibiën en Florida, toen ik, met wijlen mijn maatje Kees Zweserijn, op het mitrailleurbordes stuurboord voor, aan boord van de Doorman, van een ‘strootje zat te genieten’ en we de belevenissen van de laatste weken de revue lieten passeren, ik tijdens dit gesprek de opmerking maakte, wel “in” te zijn voor een overplaatsing. Kees veerde op en zei geschrokken: “Waar denk je dan naar toe te willen?” Ik toen de opmerking maakte, dat we nu zo’n dik jaar op het grootste schip van de KM voeren, het misschien wel leuk was om op wat kleins te varen. En wat dan wel? vroeg hij.

In de verte, de afstand was moeilijk te schatten, maar duidelijk zichtbaar, voer één van de deelnemende onderzeeboten aan de oppervlakte, daar naar wijzend, vroeg ik wat hij van zoiets dacht. Joh.. daar kom je nooit bij, zei hij sceptisch. De OZD was in de ogen van veel ‘bovenwaterschepelingen’ een Marine apart en moeilijk te benaderen.

Niet geprobeerd is zeker mis Kees, antwoordde ik.

Laten we een verzoek indienen, als je er wat voor voelt? En aldus geschiedde! We vroegen om overplaatsing naar een varende plaatsing bij de OZD.

Na enige weken kregen we beiden antwoord dat er tzt. bij overplaatsing, met ons verzoek rekening zou worden gehouden, maar ‘varende plaatsing’ een interne zaak OZD was.
Enige maanden later prijkten onze namen op de P, en kregen we allebei onze zin, en er volgde in September 1959 een overplaatsing naar de OZD in Rotterdam. Zo meldden we ons in het kamp achter het rangeerterrein aan de Waalhaven, tegenover, de erfenis van de Duitse Kriegsmarine, de befaamde ‘U-boot Bunkers ‘,

Kees werd geplaatst bij de Onder Officieren, ik mocht mijn ’kunstjes’ laten zien in de Longroom onder leiding van sergeant majoor Hofmeester van Kleef.

Na een paar dagen moesten zowel Kees als ik, ons melden in de Ziekenboeg voor een eenvoudige keuring: Hoe waren de ogen, de oren, enz. zo ook een test voor kleurenblindheid en hierbij viel geheel onverwachts en spijtig genoeg, Kees door de mand. Zijn kleurenblindheid was van dien aard, dat varen op een onderzeeboot was uitgesloten??

Ik mocht nog een dag naar Voorschoten voor wat testen en onder anderen een proef ‘nachtzien’. Ik kwam er doorheen en kwam in de ‘wachtkamer’ voor cursus onderzeeboot kennis ec. Het was inmiddels wel bijna 1960 geworden voor ik daar aan kon beginnen.

De lessen werden gegeven in een ronde golfplaten nissen barak in een lokaaltje met in het midden een potkachel, die zo werd opgestookt dat hij roodgloeiend stond en een warmte produceerde waarbij je maar moeilijk wakker kon blijven.

Ook gingen we weleens naar het zwembad om te ‘drägeren’, wat stoeien met zuurstofflessen en zo op de bodem van het zwembad.

De cursus had op ruime wijze mijn belangstelling, het was eigenlijk allemaal techniek waar het over ging hydrauliek, voortstuwing, diesel en elektrisch, sonar en geruispeiling, bootskennis en noem het maar op. Natuurlijk werd niet overal tot in de finesses op in gegaan, maar er werd van je verwacht dat je er het nodige van opsloeg en dat ging me goed af. Met mijn ‘hofmeesters gezichtje’ was ik menig techneut als Machinist, Elektromonteur, Torpedomaker ec. te slim af bij proefwerken enzo. Ik mag dan ook wel zeggen dat ik, eigenlijk tot op dit moment toe, ‘berentrots’ ben dat ik als beste van die klas slaagde. Als waardering daarvoor ontving ik een ingelijste foto van Hr.Ms. Tijgerhaai op volle zee.

Ik ben in de herfst van 1960, nog voordat de Zeehond in dienst was gesteld en bij de RDM in Rotterdam ter afbouw lag, als hofmeester bij de O.off. aan boord geplaatst, samen met de reeds ervarsen Hofmeester 1 Johny Salden, die bij de Off. zijn kunsten mocht gaan vertonen. Ik heb dien ten gevolge enkele proefvaarten, met nog een aantal burgers aan boord, meegemaakt. Echter voor de officiële in dienststelling, werd ik uitgezonden naar NNG. "Aftrap" Zeehond!

Mij eerste 'onderwater doop' ervaarde ik in 1960, nog voor plaatsing op de Zeehond, ik ben toen een paar weken op de Tijgerhaai gedetacheerd geweest, bij ziekte van Hofm. Roep, die zijn pols had gebroken en er mee in het gips liep. 

De Tijgerhaai was toen verbonden aan het "inschietbedrijf" in Den Helder we gingen er dan  's morgens uit om enkele torpedo's af te vuren welke door een werkschip weer werden 'opgevist' en we voeren waren ‘s avonds weer binnen.

Ik herinner mij hier ook nog van dat ik regelmatig, samen met collega Hofmeester, Andre Mersel, heimelijk aan boord in een ‘nestje’ sliepen ipv. in de latere OZD kazerne, wat feitelijk moest. Dit opdat we dan ongecontroleerd en buiten alle disciplines om, de wal op konden. We trokken dan, de dikke wollen boordtrui, binnenstebuiten, om de grote witte letters op de rug te maskeren, aan en stapten als ‘pseudo vissersmannen’ door Nieuwe Diep.

 

 

 

 

Nw. Guinea

Ja hoor, het is zo ver. We tekenen Januari 1961, ik mag volk en vaderland gaan vertegenwoordigen in het toenmalige Nederlands Nieuw Guinea, een stuk Nederlands koloniaal grondgebied, wat de Nederlandse regering uit handen van Soekarno had weten te houden na de soevereiniteitsoverdracht eind 1949, wat overigens achteraf gezien, Nederland niet zo veel “winst” heeft opgeleverd. Maar enfin het moest zo zijn. De Kon. Marine werd op dat moment eigenlijk gelijk al aangewezen als de “oppas” van NNG. Een en ander natuurlijk ook vanwege het feit dat NNG gewoon een groot eiland was met meerdere kleine eilanden, maar wel met een oppervlakte van ca 420.000 km2, waar Nederland ruim11 keer in kan, en voor meer dan 95% bestaat uit schier ondoordringbaar oerwoud zonder spoor- water- of autowegen, het eenvoudigst via het water ( de zee ) of de lucht was te bereizen en te controleren.

Dit betekende derhalve dat je er bijna zeker van kon zijn, dat je vroeg of laat zou worden uitgezonden naar dat ‘onzalige oord’ met zijn Papoea bevolking waar, ‘koppensnellerij en kannibalisme’ nog niet geheel was verdwenen, als je voor een baan bij die baas had gekozen.

Kwam nog bij dat en passant Indonesië, in de persoon van Soekarno dringend aanspraak op dit gebied begon te maken, als zijnde een provincie van Indonesië. Ook niet zo ‘uitnodigend’ 

Ik was aan de beurt zo gezegd, na de nodige injecties, aanvullingen tropenkleding, enige ‘voorlichting’ enz., wat in de Marine Kazerne te Amsterdam werd verstrekt, werd ik 13 Januari naar huis gestuurd met de ‘boodschap’ om 19 Januari om 12:00 uur, in burgerkleding ( er werd over landen gevlogen waar Nederlandse militairen ongewenst waren.) met handbagage en toiletspullen, weer in de Kazerne aanwezig te zijn om  per KM bus naar Schiphol te worden vervoert en dan om ca 19:00 uur aan een vliegreis van ruim 30 uur te beginnen. Met één van de laatste ‘propeller vliegtuigen’ een DC 7 van de KLM, zou ik, uiteraard met wat meerdere collega’s, dan in 3 etappes via Anchorage ( Alaska ) over de Noordpool naar Tokio en Biak worden gevlogen, om daar dan 18 maanden mijn militaire plichten te vervullen.

Het liep echter iets anders.

Het is Donderdag 19 Januari, er heerst enige spanning in huize Burggraaf, men had besloten om met de gehele familie, Pa, Ma en 2 zussen mij ‘uitgeleide’ te doen, een klus die ik de Zondag ervoor zelf had gedaan met familie en vrienden van mijn maatje Kees Zweserijn, die mij dus hierin 5 dagen voor was.

Goed de bagage ec. werd in de Peugeot ( mijn eerste eigen ‘bolide’) gestouwd en de reis nam zijn aanvang, eerst naar Amsterdam om mij daar bij de Kazerne af te zetten, waarna Pa en de rest de bus zou volgen naar het vliegveld.

Voordat we in de bus stapten, kregen we nog enige instructies en een, in keurig pakpapier verpakt, pakketje inhoudende een ‘Gasmasker’, met de duidelijke opdracht deze persoonlijk bij je te dragen en niet bij je handbagage te doen. Ik heb tot op dit moment nooit begrepen waar dat goed voor is geweest!!

OK, Pa volgde trouw de bus naar Schiphol, waar de afscheidsceremonie kon beginnen, na de incheck nog een bakkie ec en vanzelf sprekend een uur lang ‘goede raadgevingen’ door die en gene en:” Pas goed op jezelf, zal je een beetje op tijd schrijven of van je laten horen! ” je kent het wel.

Dan is het zover naar de Gate, de welbekende foto, waar er honderden van in omloop zijn. De ‘slurf’ bestond nog niet, alles gebeurde zo vanaf het platform bij de vliegtuigtrap en was vanaf een galerij door een ieder te aanschouwen. Nog wat zwaaien, geroep heen en weer en de deur gaat dicht !! Tot ziens                                             

De reis is begonnen. Een ieder was het programma bekend en je had je geïnstalleerd voor een ‘zit’ van zo’n uur of 12 naar Anchorage Alaska.

Omdat het weer in Anchorage slecht was en de vooruitzichten niet veel beter, zou er te Kevlavik op IJsland een tussenstop worden gemaakt om extra brandstof in te nemen ivm. eventuele uitwijk in Alaska, klonk er vanuit de cockpit toen we eigenlijk nog maar een paar uur onderweg waren. Aldus geschiedde. We kregen als passagiers de gelegenheid om op het vliegveld even de benen te strekken en een consumptie tot ons te nemen, om dan binnen een uur weer door te vliegen. Dit viel echter ook iets anders uit dan de bedoeling was. Een laag ijzel had zich intussen op de startbaan vastgezet, zodanig dat een start onmogelijk was geworden. Er werd een zgn. nightstop georganiseerd, wat inhield dat de passagiers in verschillende hotels werden ondergebracht om hun ‘tukkie’ te doen, een ontbijt te gebruiken en dan, indien mogelijk, verder te vliegen.

Deze hele operatie geschiedde in de nachtelijke uren en bood derhalve geen enkel vertier, bijna alles was gesloten !

De andere morgen was het ijzelprobleem opgelost en we gingen op naar Alaska.

                             

 

 

Fairbanks

Zittend in de vliegtuigstoelen van de KLM DC 7, hangen we op ca. 13 Km. hoogte, ergens boven Groenland of Canada, in ieder geval erg Noordelijk want het is ‘zeer wit’ van sneeuw en ijs onder ons. We zijn al een uur of 4 onderweg vanaf IJsland, en zullen ongeveer nog eens zo lang in de lucht moeten doorbrengen om de bestemming Anchorage te bereiken, om daar brandstof in te nemen en de reis over de Noordpool naar Tokio te vervolgen.

Het loopt echter weer even iets anders! Ik meldde het reeds; het weer in Anchorage was weinig belovend, en ja hoor ! Na het een en ander genuttigd te hebben, kwam er weer ‘geluid’ uit de cockpit. De gezagvoerder kwam met de mededeling dat we dienden uit te wijken naar een ander vliegveld. In dit geval werd dat Fairbanks, een soort ‘Lutjebroek’ in de ‘Achterhoek’ van Alaska, naar Amerikaanse begrippen.

Na aankomst in Fairbanks, werden we verzocht onze spullen bij elkaar te zoeken en in de handbagage mee te nemen omdat er wederom een ‘nightstop’ zou plaats vinden en we weer in een hotel zouden overnachten.

Volgens het ‘Vlucht protocol‘ moest buiten het bijtanken, ook de bemanning “ververst” worden, maar ja de verse bemanning stond in Anchorage !

Na te zijn gedebarkeerd werden we naar de douane en paspoort controle geleid, waar we, scherp in de gaten gehouden door geüniformeerde personen, keurig in een rij, een slingerend parkoers, uitgezet met linten en strepen op de vloer, dienden te volgen die leidde naar een ‘man met pet’, gezeten in een soort glazen kast met een luik. Het duurde nogal !!

Tijdens dit wachten waren ‘de knauwende amerikaans-engelse geluiden’ die via de geluidsinstallatie tot ons doordrongen, misschien wel het meest opvallend. Ook de discipline sprak aan, want o wee o wee, week niet van de route of kwam niet buiten de lijnen, je werd onmiddellijk door één der ‘geüniformeerden’ op de vingers getikt.

Aangekomen bij de ‘man met pet’, “Immigrationofficer” stond, met even te grote letters, ergens op zijn uniform, schoof ik mijn toen noch zwarte paspoort door het luik, ‘de officer’ trok het, zonder iets te zeggen, naar zich toe en keek me zeer doordringend aan, het chagrijn droop eraf, hij inspecteerde, controleerde en vergeleek het plaatje in het boekje met mijn gezichtje en snauwde “birthdate” eh..pardon? “birthdate” nu iets luider, na hem te hebben verteld wanneer ik jarig ben, zette hij een stempel in het ‘zwarte boekje’ schoof het zwijgend naar me terug, maakte een handgebaar dat ik door kon lopen.

Ik mocht zijn ‘Superland’ betreden.

Na de passencontrole werden we bijeen geroepen en vond er een indeling plaats voor vervoer en hotel.

Martin, een Telegrafist bij de Marine Luchtvaart Dienst, mijn ‘stoelgenoot’ in het vliegtuig en ook inmiddels mijn vaste ‘klaverjasmaatje’ geworden, werd met mij op één en dezelfde hotelkamer, van een prima hotel, ondergebracht.

De naam van het hotel is me ontschoten, ondanks ik vele malen mijn peuk heb uitgemaakt in een asbak, die bij het inpakken na het logies, in mijn tas was’ gevallen’ de naam met flinke rode letters droeg. Hierover later nog een anekdote.

Door al het ‘gedoe’ had je weinig benul meer van tijd, maar plaatselijk in Fairbanks was het inmiddels zo’n uur of vier in de middag geworden toen we de hotelkamer binnen gingen. Martin en ik besloten om na een verfrissende douche, de stad maar eens te gaan verkennen. We hadden tijdens het korte busritje naar het hotel, opgemerkt dat Fairbanks best wel iets te bieden had. Na de ‘verfrissing’ stapten we opgetogen en met veel bravoure maar weinig dollars door de straten met een flink aantal sneeuwbergen, de straten waren redelijk goed begaanbaar het een en ander was aardig sneeuwvrij gemaakt.

Na een poosje stapten we een zgn. ‘drugstore’ binnen, een winkel die absoluut niets met drugs heeft te doen, maar in de States gewoon een warenhuis blijkt te zijn. Het was een leuke ‘tent’ met veel wetenswaardigheden en allerlei spullen die je in Nederland nog niet veel zag maar helaas.. voor ons   kostte een dollar toen 4 gulden, fff te veel voor een eenvoudige ‘Janmaat ’ 

Plotseling werden we aangesproken door een alleraardigste maar niet meer zo’n ‘nieuwe mevrouw’ die ons vroeg waar wij toch in Go..’s naam vandaan kwamen, want zo’n taal als wat ze nu hoorde, had ze nog nooit gehoord.

Toen we vertelden dat we uit Nederland kwamen, werd ze wild enthousiast en zei ze, bijna blijde, dat hier op de foto afdeling, Peter werkte, die van oorsprong Duitser was en een Nederlandse vrouw had. Ze wist zeker dat Peter het erg leuk zou vinden ons te ontmoeten. Ze wees ons ongevraagd al de weg naar de fototoestellen! “ OK, thanks madam “ We overlegden en spraken af het straks maar eens te zien. Na nog enige tijd wat ‘scharrelen’ door de store, belandden we op de afdeling fotografie. Iemand die met een klant bezig was keek enigszins verbaasd op en gebaarde ons te wachten,  ‘Der Peter’ was duidelijk al ingelicht !!  Direct nadat de klant was geholpen en weg liep, struinde de man, met de hand uitreikend, op ons af en stelde zich voor, het bleek inderdaad Peter te zijn en bevestigde het verhaal van zijn vrouwelijke collega. Hij wist zeker dat het voor zijn vrouw een verrassing zou zijn weer eens oude landgenoten, zo vers uit Nederland, te ontmoeten en te spreken. Hij zei om 7 uur vrij te zijn, en nodigden ons uit, daarna met hem mee te gaan.

Martin en ik keken elkaar aan en zagen beiden wel hoe we er over dachten.

Peter was een aardige vent zo te zien en had een goede ‘babbel’ het werd dus OK dat doen we!

Het liep tegen zevenen en we waren wederom op ‘fotografie’. Peter liep het een en ander op te ruimen, sloot kasten en deuren af, pakte zijn jas en gebaarde ons met hem mee te lopen. Buiten zei hij op afstand van ongeveer 5 minuten lopen te wonen, geen probleem dus.

Zijn vrouw, een bevallig type van zo’n jaar of 35, wist niet wat haar overkwam toen we bij haar binnenvielen, dr’ vent met 2 wild vreemde kerels?! Ze wist niet wat te zeggen en ook niet in welke taal, doch na de eerste schrik te boven zijn gekomen, kwam ze los en was inderdaad erg enthousiast. We vertelden hoe een en ander er in Nederland voor stond, waar we vandaan kwamen, waar we in Nederland woonden enz. enz. misschien wel het meest nieuwsgierig was ze, ook Peter trouwens, waar we naar toe gingen. Toen we vertelden dat we als militair voor een uitzending van 18 maanden onderweg waren naar NNG. werden we bijna ‘geknuffeld’ dat vonden ze toch wel erg ‘stoer’ Martin en ik werden er een beetje verlegen van, een beetje maar hoor! Het was best wel leuk eens op een voetstukje te worden gezet.

Ik ben haar naam helaas vergeten, maar laten we haar maar Froukje noemen, ze was namelijk van Friese afkomst. Froukje vertelde dat ze bijna de enige Nederlandse was in Fairbanks, voor zover ze wist, woonde benevens haar, nog twee ex Amsterdammers, broers van elkaar, in de stad, even iater, na overleg met Peter, pakte ze de telefoon en belde ze uitnodigend de broers. Eén van de mannen was verhinderd, maar de ander zat bij wijze van spreken al in de auto.

Na een minuut of tien arriveerde er een man van ongeveer dezelfde leeftijd als Froukje en klonk het, al handenschuddend “aangenaam kennis te maken” in het plat Mokums. Ook hij vond een en ander erg leuk en vertelde dat hij in Fairbanks ruim de kost verdiende door automaten, vooral met name sigarettenautomaten te exploiteren. Toen ik hem vroeg waar hij in Amsterdam had gewoond zei hij:” Natuurlijk in de Jordaan” of Amsterdam alleen uit Jordaan bestaat, hij noemde nog een straatnaam en voegde er aan toe, “een zijstraat van de Rozengracht” Oh.. daar heb ik nog een oom wonen, die melkboer is en een zuivelwinkeltje heeft. Waar op de Rozengracht? vroeg hij, toen ik zei ergens in de buurt van Lucas Bols, naast de motorzaak van Schieveen en tegenover een ‘feestneuzenwinkel’, wat ik me herinnerde uit jeugdige logeerpartijtjes, “Ooh ja, Gert Burggraaf, rijdt ie nog steeds in die Skoda? “ merkte hij ‘droogjes’ op. M’n bek viel open !! Ontmoet je daar, in een of ander Amerikaans ‘Lutjebroek’ een totaal vreemde vent, die ooit yoghurt en flessenpap at, die een broer van je vader hem in Amsterdam aan huis had bezorgd. Misschien niet zo heel erg bijzonder, maar wel een groot toeval! Het bestaat dus wel!

Het werd een heel gezellige avond die me altijd is bij gebleven. Of ‘Der Peter’ die mening ook deelde weet ik niet, een groot gedeelte van de avond zat hij verbaasd en vragend, maar vooral zwijgend, de gesprekken aan te horen.

Bij het afscheid vroeg de ‘Amsterdammer’ waar we logeerden, na de hotelnaam te hebben genoemd, zei hij “kom ik langs als ik naar huis rij, stap maar in, zet ik jullie er af” Het was maar een kort ritje. Voor het hotel stapte ook hij uit en liep mee het hotel in. In de lobby maakte hij met een sleutel een automaat open en schoof ons allebei 3 pakjes Lucky Strike toe. We bedankten hem, namen afscheid, gingen naar onze kamer en te bed, morgen weer een dag, zeker tien uur in de lucht, om over de Pool, Tokio te bereiken, de laatste stop voor onze eindbestemming, Biak Nederlands Nieuw Guinea.

We zijn weer ‘luchtreizigers’ hebben inmiddels Fairbanks al weer enige uren achter ons en naderen de Noordpool om dan nog een halve wereld te gaan, want Nw. Guinea ligt nagenoeg recht onder de evenaar.

Na een prima Amerikaans ontbijt in het hotel, werden we vanmorgen op tijd met een bus opgehaald om na de nodige formaliteiten op het vliegveld, als check-in, bezoekje aan ‘man met pet’ ec de vliegtuigtrap te beklimmen om onze plaatsjes weer in te nemen, voor een vlucht van wederom zo’n dikke tien uur naar Tokio. Een en ander verloopt naar wens. We worden op tijd van de nodige ‘natjes en droogjes’ voorzien. Je had het als ‘luchtpassagier’ beslist niet slecht, hoewel het natuurlijk wel picknicken blijft zo’n maaltijd in de lucht.

Bij het passeren van de Pool verstrekte de KLM ons een certificaat dat een of andere Oppergod je het had toegestaan deze ‘heilige plek’ te passeren. Maar echt je merkt er niets van, niets aparts te zien noch te voelen!! De reis verloopt voorspoedig. We eten wat, we slapen een poosje om dan weer een uurtje of iets langer te klaverjassen, zo komen we de tijd door. We landden op het geplande tijdstip in de hoofdstad van Japan.

Ik heb geen idee meer hoe lang het oponthoud in Tokio heeft geduurd. We kregen er de gelegenheid de benen te strekken, een consumptie te gebruiken en ons in de belastingvrije zone, te ‘verlekkeren’ aan het geweldige aanbod Yashika’s Minolta’s Seiko’s en noem ze maar op. Ondanks dat het zgn. belastingvrij was, waren de prijzen van deze camera’s en klokken, toch nog wel zo hoog dat deze mooie dingen niet van eigenaar wisselden.

De tijd was om, we dienden weer aan boord te gaan voor de laatste etappe.

Over dit laatste stuk, wat ongeveer 8 uur zou gaan duren, valt niet zo veel te vertellen, het was min of meer een herhaling van de vorige uren, eten, drinken, beetje lezen, jassen en een tukkie doen.

Marinekazerne Sorido

Plièng”- Pliong” de intercom meldt zich, er was nieuws. Ik had het aan de ‘oortjes’ al gevoeld ! Nog wat gekraak, dan een stem … terwijl het cabinepersoneel snoepjes uit deelt “ Goede avond, hier Freek de Vlieger (?!? ) uw gezagvoerder vanuit de cockpit. “Wij hebben zojuist de daling ingezet om over ongeveer tien minuten, plaatselijke tijd 22 Januari 22:15 uur, te landen op het vliegveld van het eiland Biak Nedl. Nw. Guinea. Dit is tevens het eindpunt van deze vlucht. Ondanks de vertragingen, daarvoor nogmaals onze welgemeende excuses, hopen wij dat u toch een prettige vlucht hebt gehad. Een aantal van u zal hier geruime tijd verblijven, hen wensen we een prettige periode toe en zij die hun reis voortzetten, een goede reis! We bedanken u voor het begrip van de vertragingen en zien u graag nog eens terug op één van onze vluchten, Ik verzoek u de rugleuningen van de stoelen recht te zettenen en de riemen vast te maken Tot ziens”  Hij had zijn plicht en ‘preek’ gedaan. Voor ons moest het nog beginnen !!

Plotseling vallen de motoren praktisch stil, twee tellen later … kebonk.. kebonk… een trilling door het vliegtuig en tegelijk het geluid van gierende remmen, we zijn geland en minderen snel vaart.

Aan het einde van de landingsbaan een kleine zwenking naar links en stop, we staan stil en al op het platvorm waar het debarkeren zal plaatsvinden.

We moeten nog even blijven zitten totdat de vliegtuigtrap is voorgereden.

Dan is het zo ver en wordt de deur geopend en beginnen we stapje voor stapje aan de gang naar de uitgang. Dan opeens sta ik in de deuropening boven aan de trap, dit moment vergeet ik nooit meer ! Het is of ik een zeer warme vochtige deken over me heen gegooid krijg. Zo voelt dus een tropennacht op Biak aan! Onvoorstelbaar hoe warm en klam het voelde na het verblijf in de prima air-geconditioneerde cabine van het vliegtuig.

Na aankomst kan ik me niets meer herinneren van douane formaliteiten en / of passencontrole, er zal best iets van dat al geweest zijn, ik weet het niet meer. Wel het ‘comité van ontvangst’ die bestond uit een Sergeant der Mariniers en een Marinier 1e klas, zijn chauffeur, hij verzamelde het Marine personeel, tegelijk ontstond er al scheidingen tussen officieren, onderofficieren en overige manschappen, waar ook ik toe behoorde. Hij sprak ons zeer bemoedigend toe. “Mijn naam is Staal, sergeant der Mariniers en heet jullie van harte welkom in dit vervloekte K.. land” sprak hij We moesten vooral niet denken dat de ‘ baas ‘ deze dure reis, ons baroes ( nieuwelingen in het Maleis, tevens een badinerende scheldnaam bij de KM voor nieuw geplaatsten op schepen of instellingen.) met ons witte velletje, had gegeven, om hier vakantie te komen houden. Nee, het was waarschijnlijker dat we in de toekomst deze dag van aankomst eerder zouden vervloeken dan prijzen !! “Amen”   “Volgen” beval hij en bracht ons naar een legertruck, droeg ons op in te stappen en plaats te nemen op de harde houten banken, we zaten een stuk minder geriefelijk dan een uur geleden!

Het is ongeveer een kilometer of vijf zes vanaf het KLM Hotel, waar alle vliegformaliteiten werden afgehandeld, naar de Kazerne waar, in en speciaal ontvangst slaapzaaltje, een aantal stapelbedden voor ons klaar stond om de nacht ‘af te maken’.

Wie of wat ze in en uit de buik van het vliegtuig had gehaald weet niet, maar daar stonden ze, onze plunjezakken met tropen kleding enz. Ik had de mijne 13 Januari voor het laatst gezien in de Kazerne te Amsterdam, waar ik hem toen had afgesloten met een speciale beugel en hangslot en van een label had voorzien. Gelukkig had ik het sleuteltje nog en wist ook nog waar ik hem had opgeborgen.!!

Ook ‘Staaltje’ stond al op ons te wachten, hij liet ons even uitruziën over de bedjes..  Instrueerde ons over de volgende ochtend. Om half zeven is het ‘overal’ ( opstaan ) ontbijt in de eetzaal tussen de barak hiernaast en het kombuis nar rechts wijzend, normaal om 7 uur ‘baksgewijs’ ( ochtend apèl ) maar daar hoefden we nog niet aan mee te doen, wel werd er van ons verwacht dat we ons tussen 8 en 9 uur, gekleed in ‘kort kaki’ ons meldden bij bureau administratie om onze ronde briefjes op te halen, en konden beginnen aan het inrouleren waar we 2 dagen de tijd voor kregen. Wees ons de weg naar bureau administratie . “Begrepen??” “Ja sergeant “ “Nog vragen??” “Nee sergeant”

“OK mannen dan ben ik klaar met jullie, snurk se en tot ziens”  Dat had hij weer geweldig gedaan vond ie zelf. Stapte bij zijn chauffeur in de Jeep en reed weg.

Wij waren er inmiddels wel achter dat we weer eenvoudige 'zeesoldaatjes' waren en dit de komende ander halfjaar ook zouden blijven.

Niet alle dagen waren even gezellig, maar zo vervelend als Sergeant Staal het ons voorspelde, zijn ze, voor mij in ieder geval, niet geweest. 

Kerst diner

 

Kerstdiner, 

Het is al even Advent, Kerstmis nadert, je kunt er niet omheen.

Dit jaarlijkse gebeuren is misschien wel het meest gevierde feest over de gehele wereld.

Het zal op de ene plek mogelijk wat uitbundiger worden gedaan en aandacht krijgen dan op een ander, maar invloed heeft het op alles en iedereen.

Zo ook in de tropen, wat ik persoonlijk één keer heb mogen meemaken.

Tijdens mijn uitzending naar Nw. Guinea van Januari 1961 tot Juli 1962 overkwam me dit dus in 1961.

Wel apart hoor, de Kerstman in arrensledes, rendieren, geïmproviseerde kerstbomen enzovoort bij 40 graden Celsius.

De KM schenkt of schonk er in ieder geval, best redelijk veel aandacht aan.

In het kombuis was het altijd wel spannend en druk, de koks deden hun best een ‘wit voetje’ te halen bij de overige bemanning door hen een kostelijke maaltijd voor te zetten. Een halve kip of haan hoorde daar steevast bij. Die kregen we 2 keer in een jaar, met Kerst dus en op Koninginnedag.

Eén van de Kerstdagen had ik dienst en viel het me te beurt, mijn medewerking te verlenen bij het Kerstdiner in de Onder officiers mess.

We hadden ons best gedaan, de boel zo gezellig mogelijk te maken door de eetzaal van wat versieringen ec te voorzien, de tafels keurig te dekken het glaswerk op zijn plaats en alles in de lijn gericht natuurlijk.

Eén van mijn collega’s was in het bezit van een simpele pick-up en bood, naar genoegen van de chef Hofmeester, aan de muziek te verzorgen. De “machine” werd op een of andere manier, aangesloten op de omroepinstallatie en het klonk als een klok.

Dan is het zover, langzaam zoekt een ieder van het ca. 125, alleen mannelijke, grote gezelschap zijn plekje aan tafel.

Iedereen zit, de ‘tafel-oudste’ in dit geval de chef d’ Equipage

( Een opper schipper, hoogst in rang zijnde Ooff. met belangrijkste functie ) doet een welkomst woordje.

Het belletje ( teken voor gebed ) tingelt en wij vullen de soepterrines, na het 2e belletje beginnen we met uitserveren.

Er wordt nog iets korts ‘gepredikt’ en de maaltijd komt op gang, de ‘diskjockey’ brengt “Stille nacht” ten gehore.

Het loopt als een trein. Na de soep is er nog een ‘sprekerd’, wij halen de borden enz. uit en houden de volgende gang ‘in aanslag’ om uit te serveren. Alles gaat naar wens, het loopt gesmeerd.

Toen ook de hors d’ oeuvre zijn weg had gevonden, was dus de kip met toebehoren aan de beurt.

De Chef, die naar zijn mening al voldoende Stille nachten, wakende Herders en geboren Kinderkens had gehoord, de diskjockey vroeg naar een wat lichter genre muziek over te gaan, stemde deze daar met blijdschap mee in.

Intussen serveerden we dus de hoofdmaaltijd.

Nog voordat alles op tafel stond, klonk er weer muziek. Inderdaad van een zeer ander genre… Het ‘schone’ lied van een mevrouw wiens sneeuwwitte boezem nauwelijks was bedekt, klonk door de eetzaal met een volume, waarbij de kippen bijna los van de borden kwamen.

Er vlogen nog meer mensen overeind, het was niet een ieder ‘welgevallig’, zeker de Schipper niet, het sprong hem in het verkeerde keelgat opdat hij bijna stikte.

Wild gebarend, in zijn keurig witte uniform, riep hij de chef bij zich en gelastte hem met luide stem deze muziek onmiddellijk te staken!!

Het werd plotseling een soort griezelig stil, iedereen was een beetje geschrokken, niet in het minst de muziekverzorger zelf natuurlijk, ook het meewerkend Papua personeel keek vanuit de pantry, om het hoekje om te zien wat er aan de hand was.

Na een aantal stille minuten, en enig overleg met de ‘jockey’, wendde de chef zich tot de Schipper, of de muzikale omlijsting in zijn geheel moest worden gestopt of dat Jingle Bells en/of andere passende liederen van bv. de Voice en of Doris Day ec wel was toegestaan? Hier kon de Schipper wel mee instemmen en werd het toch nog gezellig bij het dessert en de koffie met ….  De inmiddels verstrekte drankjes bij het diner  droegen daar ook wel toe bij natuurlijk.

Het zou zonde van het kostelijke eten zijn geweest als dat niet zo was.

De diskjockey werd na het gebeuren vermanend aangesproken en moest toch zelf kunnen begrijpen dat zulke ‘herrie’ eigenlijk niet eens in een fatsoenlijk horecabedrijf gespeeld hoorde te worden, laat staan tijdens een Kerstdiner in de Onderofficiers mess van de Koninklijke Marine !!

Hij knikte beschaamd en het bleef erbij.  

 

Munitie bunkers

Veteranenspeld     

Niet alle dagen draag ik een colbert, maar bij wat formele bezoekjes als jubilea, dinertjes of andere plechtigheden komt zo’n ‘jassie’ wel eens uit de kast en gaat ‘aangekleed uit’.

Op de linker revers van één zo’n kledingstuk heb ik een veteranen speldje geprikt zitten.

Deze dragend in een gezelschap krijg ik dikwijls de vraag wat dat V-tje voorstelt, soms met de opmerking, of meer de vraag, of ik lid ben van een koor of muziekvereniging, omdat ze het dan aanzien als een muziek sleuteltje of stemvorkje.

Ik antwoord dan veelal schertsend, dat ik daar ongeveer een baal rijst voor heb moeten opeten. De vragende blik op het gezicht van de belangstellende, zie je dan nog vragender worden en als het ware om uitleg smeken.

Ik leg dan uit dat het speldje een gestileerde V is en staat voor Veteraan, een status die ik in mijn ‘late pubertijd’ heb verkregen door als ‘zeesoldaat’ een uitzending van achttien maanden, naar voormalig Nederlands Nieuw Guinea heb mogen meemaken, en dit gebied toen, door de eisen en bedreigingen van Indonesië, tot ‘oorlogsgebied’ werd gerekend.

De volgende vraag is dan veelal, zeker van de jongeren in het gezelschap, heb je daar gevochten dan?? Wat ik dan ja knikkend met “soms” beantwoord en ook op de vraag of ik dan wel eens bang ben geweest of ben geschrokken, ook nog bevestigend heb beantwoord, zie ik de nieuwsgierigheid toenemen en kan ik moeilijk om verdere uitleg heen.

Laat ik, voordat ik dat hier doe, even duidelijk maken dat voor iedereen zo’n uitzending anders kan zijn geweest of wordt ervaren. Een Marinier, die soms weken de bush werd ingestuurd, om gedropte of aan land gezette Indonesische infiltranten op te sporen en gevangen te nemen, ervaart het anders dan de ziekenverpleger in de ziekenboeg of de kok in het kombuis in een redelijk veilig kamp of kazerne, waar ‘de staf’ de boel regelt. Zij zijn niets dichter bij “moeders” en even ver van thuis natuurlijk, maar wel wat geriefelijker, en daar hoorde ik in feite ook bij.

Om de nieuwsgierige toehoorders ter wille te zijn, vertel ik, dat ik het allemaal heb meegemaakt, maar echt geheel anders dan wat zij zich er bij voorstellen.

Mijn enige ‘slagveld’ waar ik heb ‘gevochten’, was de judomat, waar ik metmijn judomaatjes strijd leverde

Met scherp heb ik alleen op de schietbaan geschoten maar nooit op een vijand..

Indonesische militairen in een uniform ( battle dress ) zag ik er niet meer dan een vijftal, die nog geboeid en geblinddoekt waren ook en aan boord werden gezet voor vervoer naar Woendi, een eilandje bij Biak, waar ze werden ‘bewaard’.

Geschrokken ben ik bv. bij een luchtalarm op een vreemd moment, waar expliciet via de omroep, 3 maal met nadruk bij werd vermeld dat dit geen oefening betrof en iedereen ongewoon paniekerig deed, niet wetend wat precies te moeten doen.

Later bleek het allemaal vrij onschuldig te zijn, omdat het een eigen vliegtuig met verbindingsproblemen betrof en daardoor zonder radiocontact, vanuit onverwachte hoek invloog.

Bang ben ik ook geweest, het is een verhaal apart!

Primair was ik hofmeester bij de Onderofficieren, en bestonden mijn werkzaamheden uit het verzorgen van deze ‘superieuren’ in de breedste zin van het woord, voor zowel hun voedsel, verblijven en vertier.

Daarnaast was me echter nog een taak toebedeeld. Bij calamiteiten van welke aard ook, moest ik patrouille ( soort schildwacht ) lopen bij een flink aantal munitie bunkers, welke gebouwd waren op een groot stuk, wat achteraf gelegen, terrein van het kamp/kazerne.

Bij het in-rouleren, als je net in het land bent gearriveerd, worden zulke dingen via een zgn. rolkaart je bekend gemaakt. Op zo’n rolkaart staan allerlei opdrachten, feiten, werkplekken enz. vermeld en dien je je bij iedere plek, persoon of bureau die op kaart voorkomt te melden voor verdere instructies en opdrachten. Daar krijg je dan twee dagen de tijd voor.

Tijdens mijn in-rouleren, de allereerste of tweede dag dat ik in het land was dus, gebeurde het tijdens een koffie pauze, dat er belangstellend naar mijn rolkaart werd gevraagd, door een collega die al wat langer op Biak aanwezig was. Zonder er moeilijk over te doen gaf ik hem de kaart en dronk m’n koffie, na een paar tellen hoor ik: “Nou Jezus, daar ben je klaar mee zeg”, verwonderd kijk ik op en vraag hoe zo?? Patrouille munitie bunkers ! één grote bende daar, nauwe bijna onbegaanbare paden tussen meters hoge struiken en allang-allang. Het stikt er van de slangen, vogelspinnen, kakki-empats ( kaaiman achtige leguaan van 80 tot 100 cm lang met grote bek waarmee flink gebeten kan worden ) en nog veel meer onplezierig ‘dierenspul’ nog net geen tijgers en leeuwen, het is er stik donker, nergens verlichting, kortom weinig aantrekkelijks. Zo wilde het verhaal van de ‘ervaren collega’

Ik haal, met een vragend gezicht, mijn schouders op en zeg, quasi moedig en nonchalant, “we zullen het wel zien” maar sloeg het, weinig gerustgesteld, wel op. 

Ongeveer een week later, ja hoor ’s avonds rond een uur of zeven schalde het over de omroep  “ ‘ta- ta- ta taaa… trompetgeschal voor aanvang oefening met de boodschap, een ieder meld zich op zijn post !”

Ik ben op de slaapzaal, sta op, muts op en ga me melden bij Commando post West, zoals me op de rolkaart is bevolen.

De post is gehuisvest in het hoofdgebouw, gelegen aan het exercitie terrein.

Groetend meld ik mij: “ Hofmeester Burggraaf patrouille munitie bunkers “ de sergeant der Mariniers, achter de tafel, kijkt me aan ‘Burggraaf ?.. en kijkt op een lijst voor zijn neus, met zijn vinger over het papier glijdend, ja..  “Burggraaf en van Dongen” “Honden wacht ( van 0:00 uur tot 04:00 uur ) wapen halen in de wapenkamer, kwart voor 12 hier in gevechtskleding met wapen en helm!!”

OK sergeant, wat voor wapen ???  weten ze in de wapenkamer, zal wel een Uzi zijn.

Ik ga de deur uit en loop naar de wapenkamer, waar ik inderdaad een Uzi en een helm in mijn handen geduwd krijg, moet er voor tekenen en kan gaan, geen enkele uitleg.

Ik had ooit, ergens tijdens de EMV opleiding in Hilversum, weleens met een Uzi geschoten maar daarna nooit meer, het was ruim 3 jaar geleden dat ik zo’n ding voor het laatst, in mijn handen had gehad. Straks maar eens kijken of ik het allemaal nog weet.

Ik heb ruim de tijd om een en ander op een rijtje te zetten, me om te kleden en me ‘gevechtsklaar’ te maken.

Ruim op tijd meld ik me voor de tweede maal die avond op Commando post West. En wie zit er nu achter de tafel !?! Juist… Sergeant Staal! hij kan schijnbaar en mag meer doen dan baroes van het vliegtuig halen en verwelkomen.. 

“Burggraaf  zei je hè ?” Ja sergeant, dan het volgende scenario “Waar is je maatje?” Maatje?? “Ja matroos van Dongen, waar je samen mee patrouilleert”  Ken ik niet sergeant, ben pas 10 dagen hier. “OK we zullen even wachten”. Na een minuut of vijf, hoor ik Staal zeggen: “ van Rossum brengen jullie Burggraaf maar weg hoor, van Dongen kan de hele nacht wel weg blijven maar die jongens moeten wel afgelost worden”  Er komen twee mariniers overeind en wenken me mee te gaan. Ik kijk Staal nog even aan en vraag “alleen sergeant?” “Ja, als van Dongen komt, brengen we hem wel na, goede wacht!!”

Niet geheel, beter gezegd, geheel niet gerust en zeker niet blij, stapte ik bij chauffeur van Rossum en zijn bijrijder in. De Jeep komt in beweging maar iets zien doe ik nauwelijks, de verlichting van de Jeep waren niet meer dan twee hele kleine lampjes zo groot als een theelichtje. Van Rossum moest ‘katte ogen’ hebben of over radar beschikken.

Al hobbelend en niets ziend, reden we een paar minuten, dan wordt er plotseling gestopt en hoor ik stemmen, goed in de richting van het geluid kijkend ontwaar ik twee vage gestaltes. “Stap maar uit Burggraaf, dan kunnen die mannen er in, je bent op je post”. Ik stapte uit, de ‘vage figuren’ in en de Jeep reed weg.

Daar stond ik dan, moederziel alleen, midden in de nacht, stik donker, in een brokje tropisch oerwoud met bijpassende geluiden als geritsel, gezoem, en gepiep, wat me volkomen onbekend was en waar ik niet zulke leuke verhalen over had gehoord, met een ongeladen wapen, alles niet bijster bemoedigend!  Geloof me of niet, ik scheet nog net niet in mijn broek, maar was daar dicht bij. Ben ook geen meter van de plek geweest.

Na enige tijd, ik weet absoluut niet meer hoeveel 10 minuten ??  half uur ?? het leek uren, hoor ik motor geronk en zie twee heel kleine pitjes, het stopt en er stapt iemand uit, het was maatje van Dongen, die ik nog nooit eerder had ontmoet, ik was ‘zeer blijde’. Hij gaf me een hand en stelde zich voor, ik heet Frank zei hij, ik Flip, wat ben ik blij dat je er bent man. Pas hier zeker? Volg me maar, ’t komt goed !!

Het kwam ook goed, Frank wist de weg. Maar dit kwartier, misschien half uur, is waarschijnlijk wel het meest onplezierige ‘halfuurtje’ van mijn leven geweest zeker op Biak. Je kunt dit misschien geen echte angst noemen, maar ‘knijpen’  deed ik hem wel.

Het was geen eldorado tussen de bunkers, wat niet meer waren, dan zo’n stuk of 15 venstervrije huisjes va ca 5 bij 10 meter met een enigszins schuin toelopend dak, waar ook het zwakte punt lag, opdat bij een eventuele explosie deze er het eerste af lag en waardoor overige schade beperkt bleef. Er lagen wel explosieven in natuurlijk. Ze waren ook redelijk ver uit elkaar neergezet, zodat een ‘domino effect’ praktisch niet mogelijk kon zijn.

De begroeiing er omheen was tropisch, maar echt geen ‘ondoordringbaar oerwoud’ de toegangen werden redelijk begaanbaar gehouden.

Van de aanwezige slangen, heb ik alleen maar de verloren huidjes in de struiken zien hangen, een levende nooit, spinnen wel maar of het gevaarlijke waren betwijfel ik, slechts één keer zag ik een kakki-empat van ca 60 cm lang, die niet wist hoe snel die weg moest komen, kortom van een gevaarlijke ‘beestenboel’ was geen sprake, wel waren er de nodige vogels, met name kaketoes waren er veel en maakten soms nogal wat lawaai.

Begin 1962, toen Soekarno’s eisen en bedreigingen, gesterkt door buitenlands bijval, heldhaftiger werden, heeft men het een periode nodig gevonden dat er permanente bewaking moest zijn, liepen toen ook met ‘scherp’ in de wapens, en lagen we er min of meer in bivak en sliepen er dan ook. Niet fijn !!! Gedoe met stretchers en klamboes, geen sanitaire gelegenheid of stromend water. Het eten en drinken werd wel met regelmaat aangevoerd. Gelukkig heeft dat meer kort geduurd, men kwam er vlot achter dat dit geen enkele zin had.