M'n vader in de werkplaats bij Driekus in hun beider 'nadagen' zo rond 1988

Uw kop

De familie Pijnse van der Aa ca 1957

“Nog meer Buurtgenoten”

 

Direct, rechts aan de ‘dorpskant’ naast B 63, ons adres in Kamerik, later, zo begin zestiger jaren, gewijzigd in Mijzijde 65, woonden destijds een drietal personen. Een vrouw, Jannetje met twee broers, Hendrik en Driekes. Het hele ‘spul’ was ongetrouwd. Naar het schijnt, had Jannetje ooit wel eens ‘kennis’ aan iemand gehad, maar dat was op niets uitgedraaid. Jannetje was de ‘middelste’ van het stel, Hendrik, een lange, lelijke, ijzig magere man was de oudste en Driekes dus de jongste, voor zover je van jongste kan spreken, voor mij persoonlijk zijn het altijd ‘oude mensen’ geweest. Tegen de tijd dat ik zo’n beetje besef van leeftijden kreeg, een jaar of zes – zeven denk ik, zullen zij rond de vijftig zijn geweest, Hendrik misschien twee erboven en Driekes zoiets er onder. Dit ‘oud’ zijn, in mijn ogen, werd ook mede ingegeven door de kleding die zij altijd droegen, smakeloos donker grijs en/of diep zwart, het enige witte wat ik ze ooit heb zien dragen was het ‘zondagse’ overhemd van de mannen maar dat ging dan nog grotendeels schuil onder een zwart vest en dito colbert.

Het weinige ‘mooie’ aan deze beslist geen ‘slechte’ buren was, vond ik, hun achternaam, zij heetten namelijk: “ Pijnse van der Aa “ hoewel zij door geen enkele Kamerikker zo werden genoemd, iedereen  kenden ze niet anders dan ‘Pense’. De Penses waren ‘diep gelovige’ mensen, dat ging zover dat ze het dikwijls met z’n drieën nog niet eens konden worden over  bepaalde bijbel uitleg.

De mannen hielden zich bezig met ‘timmeren’, ze dreven een ‘Wagenmakerij’ en waren ware kunstenaars in hun vak, bracht een boer bij hen een oud kruiwagenwiel met nog een ‘bruikbaar’ stukje handvat of zo, zij bouwden, met gebruikmaking van ‘de ouwe zooi’ er weer een complete nieuwe kruiwagen van. Hun werkplaats, welke ze “de Winkel” noemden, had meer weg van een museum, je zou het zo tegen kunnen komen in Het Openlucht museum in Arnhem. Voor zo ver ik me kan herinneren, hadden ze slechts drie stukken gereedschap die elektrisch  werden aangedreven, dat was een grote lintzaag, een verschrikkelijk lawaaiige  schaafbank en een grote zware handboor. Hun ‘winkel’ was ook erg klein, in meters zal het aanvankelijk niet meer dan ongeveer twintig a tweeëntwintig  vierkante meter zijn geweest. Later werd er, in overleg en met goedkeuring van mijn vader, de gezamenlijke doorgang tussen ons huis en hun werkplaats bijgetrokken, dit was nodig omdat de boeren hadden ontdekt dat er van oude vrachtwagen onderstellen nog prima ‘hooiwagens’ op luchtbanden viel te maken, een ‘klus’ die de Penses op het lijf was geschreven en waar ze veel werk in hadden. Pa had bij de ‘verbouwing’ wel bedongen dat de situatie weer in oude staat moest worden teruggebracht bij eventuele verkoop van het pand of beëindiging van de zaak. Wat ook keurig is nagekomen zonder tussenkomst van notaris of iets van dien aard.   

Ik schreef het reeds, het waren prima buren, zij stonden altijd voor een ieder klaar en waren zeer tolerant, ook voor ons kinderen, alleen uit de werkplaats moesten we weg blijven, maar verstoppertje spelen in de ‘houtopslag’ of zo werd meestal wel toegestaan. Ik kan me echter nog wel een incident herinneren waarbij mijn vader er toch aan te pas moest komen en een en ander recht gezet moest worden.

Wat was er gebeurd ??!!

Van tante Ans, de oudste zuster van mijn vader, had ik een koffergrammofoon met een paar van die oude ‘lakplaten’ gekregen, De grammofoon moest na iedere plaat met de hand opgewonden worden, plaat op de draaitafel, palletje overhalen en de plaat draaide, dan nog de kop met naald voorzichtig op de plaat en daar ‘knalde’ “Als op het Leidseplein “ de ether in. Zo had ik een stuk of wat van zulk soort platen en zat er op een dag achter ons huis van te ‘genieten’ toen plotseling Hendrik wild gebarend en bulderend om de hoek kwam en schreeuwde: “Hou op!!! Hou op!!! Met dat goddeloze gedoe “ waarop ik geschrokken de ‘voorstelling’ beëindigde en huilend naar binnen vluchtte en me bij mijn moeder beklaagde over het gebeuren, zij wist er ook niet zo goed raad mee, en verzocht me, er voor de goede gang van zaken toch maar mee te stoppen. Toen enkele uren later het verhaal aan Pa werd verteld, vond deze dit toch wel een beetje ver gaan, en meende dat mijn ‘overlast’ van muziek maken nou niet te veel was om dat te verbieden. Hij dacht er even over na, bereidde zijn preek voor en stapte naar Hendrik toe.

Wat er precies is gezegd en hoe Pa een en ander heeft toegelicht weet ik niet, maar ’s anderendaags kwam Hendrik mij met een reep chocolade opzoeken en maakte min of meer zijn excuses en vroeg me wel in het vervolg het geluid wat te ‘temperen’, wat ik schuchter beloofde en de ‘vrede was weer getekend’

 

De koffergrammofoon licht vermoedelijk ergens op de bodem van de Botnische golf. Ik verkocht hem voor een tientje aan Jan van Eijk, een scheepskok bij de kustvaart, die hem bij een ‘storing’ van zowel het ‘toestel’ als bij hem zelf, het hele spul overboord heeft ge…..nderd. ‘Hij ruste in vrede’   

 

Direct naast de Penses, vast aan de ‘winkel’ van de wagenmakerij, woonde Aaltje, Aaltje Blok, om volledig te zijn, was een humorloze nurkse ‘ouwe taart’,niet bepaald ‘kindvriendelijk en een begaafde ‘roddeltante’, zij woonde er alleen, of ze ooit getrouwd is geweest (ik kan het me bijna niet voorstellen) en weduwe was, ik weet het niet. Wel kan ik me nog de draai om mijn oren herinneren, die ik ooit van haar heb ‘ontvangen’

U zult begrijpen: zowel op Aaltje als op Blok zijn er nogal gemakkelijk en veel rijmwoorden te verzinnen, zoals Aaltje “zonnestraaltje” zaaltje maaltje, paaltje enz. en op Blok, -hok, stok, en noem ze maar op,  dus voor menig ‘buurtpoëet’ was MevrouwBlok en niet in het minst door haar chagrijnige karakter, een geliefde ‘inspiratiebron’ voor een ‘prozaïsch hoogstandje’, zo ook door mijn ‘opvoeders’ als Theuna, Bertus, Riet, Joop en ook Pa en Ma waren voor zulke grappen wel in. Nou één hunner of misschien nog wel gezamenlijk hadden het volgende ‘lyrische’ epistel verzonnen:

   Aaltje zat op een paaltje.

   Het paaltje brak.

   En Aaltje viel in de kak.

Nou voor een kleuter van een jaar of zes toch een ‘giller’ en erg makkelijk geleerd.

En ja hoor, op één van mijn ‘ontdekkingsreizen’ passeerde ik B 61 alwaar Aaltje in haar gebruikelijke pose, met de armen over elkaar breeduit in de deuropening of er vlak naast voor het tuinhekje, het ‘dorpsgebeuren’ stond waar te nemen, vond ik het zo nodig  om op ‘waardige wijze’ het ‘dichtsel’ te declameren, nou voor ik de laatste K over m’n lippen had, had ik hem al ‘zitten’ een fikse slag voor mijn kop gevolgd door de kreet: “ Kwajongen dat mag je niet zeggen, ga weg! “ Nou dat hoefde ze niet zeggen, want ik nam geschrokken en verontwaardigd zonder te groeten rap de benen.

Toen ik de ‘story’ thuis vertelde was het lachen niet van de lucht, iets wat ik nou ook weer niet zo goed begreep. Ik heb aan het gebeuren, naar ik weet, geen trauma overgehouden, of het moet mijn ‘allergie’ voor lelijke chagrijnige vrouwen zijn. Als je de huidige ‘opvoeddeskundigen’ moet geloven wordt dit eigenlijk voor onmogelijk gehouden, want zelfs een corrigerende tik op de vingers kan, volgens hen, al desastreus zijn.

Nog een ‘oorvijg’ maar nu niet voor mij. In het volgende huis, er lag een stukje tuin en een erf tussen, woonden de Tuithofs, u weet nog wel met U, Chris, Riet en Joop. In hetzelfde pand, maar strikt gescheiden, want het was een zeer groot huis, woonden ook de familie Smit, een ‘ouderpaar’ met twee dochters, Aagje en Jannie, en zoon Gert. De meiden waren, schat ik, ongeveer een jaar of  dertien - veertien ouder dan ik en Gert ca. tien, hij rookte in ieder geval al toen ik zo’n jaar of vijf, zes was. Bij de Smitjes liep ik ook net zo gemakkelijk binnen en was ik net zo ‘welkom’ als bij bvb de Tuithofs, er was altijd wel iemand die mij ten dienste wilde staan met een spelletje, een verhaaltje of minimaal een snoepje. Zo ook een keer trof ik, bij een ‘visite’, Gert aan, die net een ‘shaggie’ aan het rollen was en hem daarna demonstratief-theatraal aanstak, diep inhaleerde en een pracht van een rookpluim produceerde, hetgeen me zo intrigeerde dat ik dat ook wel wilde proberen, Gert, ook niet geheel vrij van een beetje ‘ondeugd’ wilde me wel ‘ten dienste’ zijn en hield de sigaret tegen mijn lippen waarna ik begon te blazen, derhalve geen succes dus, Gert niet uit het veld geslagen, zette de ‘opleiding roken’ voort, door demonstratief met bolle en holle wangen, voor te doen dat ik niet moest Bbllllllaaaaaazzzzzeeeen… maar moest  Zzzzzuiuiuigggeeeen……. , en zette wederom het shaggie aan mijn lippen, ik was een snelle leerling, want ik zoog als een stofzuiger met het onmiddellijke gevolg van een gigantische hoestbui en rookwolken uit ieder ‘gat’ in mijn kop, inclusief mijn oren en ogen denk ik, dit gaf zoveel tumult dat moeder Smit van ‘ergens’ de kamer in kwam en onmiddellijk door had wat er gaande was en Gert een ‘slag voor z’n harses’ verkocht, met de ‘informatie’ of hij misschien ‘hartstikke gek’ was geworden om zo’n kind te laten ‘roken’. Het een en ander werd ‘gesust’ met een beker melk en een chocolaatje.

Ik heb later bij Gert nog wel meer gerookt, maar dan stiekem zodat zijn moeder het niet zag, dat ik er misselijk van werd en moest kotsen, waarbij moeder Smit mij bezorgd naar huis bracht en veronderstelde dat ik aan een ‘vreselijke ziekte’ leed. 

 

Ergens in de periode dat ik bij de KM in dienst was, is Gert getrouwd en ben ik hem uit het oog verloren, totdat we in 1979, al bijna een jaar in Woerden wonend, er achter kwam dat we weer bijna buren waren, we woonden in dezelfde straat een paar huizen bij elkaar vandaan.

Zowel hij als ik hadden er een jaar voor nodig om elkaar te herkennen, toen dat eenmaal een feit was, zijn de nodige ‘oude runderen’ uit de sloot gehaald.

 

Rest mij nog te melden wie er links naast ons woonden, maar dat doe ik een volgende keer.

   

Hier een foto, gemaakt bij mijn terugkeer vanuit NNG in Juli 1962, die een goed overzicht geeft van de situatie, Van rechts naar links:  “De Winkel” van Pijnse, dan het huis waar Aaltje woonde, ( in 1962 al niet meer hoor) en dan het huis met de blauwgrijze muur, van de Tuithofs en Smit. En ergens in de buurt van de volkswagen op de achtergrond was de schoenmakerswerkplaats van Dirk Sterkenburg, waar Joop heeft gewerkt, hierover komt later vast nog wel eens een ‘stukkie’